De vreemde tekens
Die Rooie had zijn neus nog niet boven de ontbijttafel gestoken, of Mevrouw Jansen schoof het schaaltje kaas buiten zijn bereik.
‘Voor het dorpsfeest,’ zei ze.
‘Ik controleerde alleen of hij vers was.’
Daisy kwispelde onder de tafel. Professor Boefmans keek over zijn ronde groene bril naar zijn notitieboek. Buiten ritselde de herfst door de straat. Over twee dagen zou Pofferdam zijn jaarlijkse lichtjesavond vieren, met lampionnen bij de waterput en warme soep op het plein.
Toen bonkte iemand tegen de achterdeur.
Spikkel stond op de stoep, zijn vacht vol klitten. Achter hem keek Streep voortdurend over zijn schouder.
‘Ze hebben ons teken weggekrabd,’ hijgde Spikkel.
Bij de oude bakstenen schuur wachtte Ravix. De leider van de Nachtkattenbende wees naar de muur. Over hun geschilderde maantje stonden drie witte strepen. Vlek zat boven op een regenton, zijn staart strak om zijn poten.
‘Katten uit Duindorp,’ zei hij. ‘De Zilverklauwen. Ze zijn vannacht over de beek gekomen.’
‘Hebben jullie hen gesproken?’ vroeg Boefmans.
‘Ze namen onze slaapplaats in het pakhuis,’ antwoordde Ravix. ‘En er is eten verdwenen.’
Bij de heg schraapte Luna haar keel. De slanke gevlekte poes had iets tussen haar tanden. Ze legde een stukje blauw koord neer.
‘Gevonden bij de achterdeur van Bella.’
Uit de richting van het plein klonk verontwaardigd geroep. Bella Mozzarellina stond voor haar pizzeria met een lege mand.
‘Mijn kaas! Mijn brood! Zelfs de doek is weg!’
Rikkert de Wasbeer tilde onderzoekend het deksel van een vuilnisbak op. ‘Misschien verkeerd opgeborgen?’
Bella wees zwijgend naar de tomatensaus op zijn snor.
‘Dat is van gisteren,’ zei Rikkert haastig.
Eddy de Eend kwam uit de haven aangewaggeld. Hij had onbekende katten gezien bij de molen. Maarten de Meeuw had hen over het duinpad gevolgd. Eén droeg een blauwe halsdoek.
‘Dan weten we genoeg,’ zei Die Rooie.
Boefmans schudde zijn kop. ‘We weten waar we moeten beginnen.’
Dat verschil beviel Rooie niet. De Nachtkattenbende had vroeger zelf narigheid veroorzaakt, maar de laatste tijd hielpen ze het dorp. Toen het water hun schuur was binnengedrongen, hadden ze zelfs een kattenfamilie gered. Nu werden ze opnieuw behandeld alsof hun thuis zomaar mocht worden afgepakt.
Hij herinnerde zich hoe Vlek die nacht een doorweekt kitten in zijn bek had gedragen. De kater had naderhand gedaan alsof het niets voorstelde, hoewel zijn poten nog lang hadden gebeefd. Rooie had hem toen een plek bij de kachel aangeboden. Vlek was bij de deur blijven liggen, dicht bij zijn bende.
‘We horen nu bij Pofferdam,’ had hij gezegd.
Daarom wilde Rooie hem vandaag niet alleen laten staan. Hij keek naar Boefmans, maar die bestudeerde de witte strepen. Voor Rooie voelde het alsof zijn vriend iets heel belangrijks over het hoofd zag.
Daisy snuffelde aan het koord. Brood, regenwater en een onbekende kattengeur. Daaronder zat iets scherps, iets wat ze kende van natte planken.
Teer.
Vanaf de regenton sprong Vlek op de muur.
‘Als die Zilverklauwen terugkomen, wachten wij ze op.’
Ravix keek hem streng aan. ‘Ik praat eerst met hun leider.’
‘En ik ga mee,’ zei Boefmans.
De molenwiek draaide langzaam boven de daken. Achter het dorp stak een lange strook donkere wolken boven de heide uit.
Daisy keek van Ravix naar Vlek. Geen van beiden zag die wolken. Ze keken alleen naar de witte krassen op hun muur.
Onder de oude brug
De Zilverklauwen wachtten onder de stenen brug naar Duindorp. Hun leider was een zilvergrijze kater met een gehavend oor. Hij heette Sabel. Naast hem stond een brede zwarte kat met een kromme staart.
‘Krom,’ stelde die zichzelf voor, alsof zijn naam een waarschuwing was.
Achter hen zaten twee jonge katten dicht tegen elkaar. De kleinste had veel te grote oren en een blauwe halsdoek.
‘Wij willen het pakhuis terug,’ begon Ravix.
Sabel trok zijn bovenlip op. ‘Jullie hebben ons verjaagd bij de sluis.’
‘Wij zijn niet bij de sluis geweest.’
Krom snoof. ‘Gisteren stonden daar jullie maantjes op de planken. Daarna was ons eten weg.’
Boefmans ging tussen de leiders zitten. ‘Er verdwijnen dus aan beide kanten voorraden. Laten we samen kijken wie…’
‘Wij hebben gekeken,’ onderbrak Krom hem. ‘Pofferdam houdt alles voor zichzelf.’
Die Rooie deed een stap naar voren. ‘Bella geeft iedereen eten als je het vraagt.’
De kleine kat met de halsdoek keek op, maar Sabel duwde hem beschermend achter zich.
‘Pip heeft niets gezegd,’ beet hij Rooie toe.
Daisy zag hoe Pip zijn oren liet zakken. Zijn blauwe halsdoek had een rafelige punt.
Op de brug kraakte hout. Vlek was hen met Streep en Spikkel gevolgd. Hij stond op de smalle onderhoudssteiger naast de stenen boog.
‘Waarom verstoppen jullie je hieronder?’ riep hij.
Krom schoot de trap op. Ravix sprong hem achterna.
‘Vlek, achteruit!’
Alles gebeurde tegelijk. Krom draaide zich om. Ravix kwam tussen hem en Vlek. Een houten leuning schoot los. Er klonk een harde klap, gevolgd door een kreet.
Toen lag Ravix beneden tussen de brandnetels.
Die Rooie was als eerste bij hem. Ravix probeerde overeind te komen, maar zakte met een benauwd geluid terug. Boven hen zwaaide de kapotte leuning aan één roestige spijker.
‘Niemand raakt hem aan,’ zei Daisy. ‘Rooie, haal hulp. Nu.’
Rooie rende al.
Boefmans knielde naast Ravix. Een rode streep kleurde diens voorpoot. Ravix trilde, maar keek eerst omhoog.
‘Vlek?’
‘Hier,’ fluisterde Vlek vanaf de trap.
Sabel had Krom teruggetrokken. De zwarte kater riep dat hij niets gedaan had. Spikkel siste. Streep stond met een bolle rug op de brug.
‘Weg,’ zei Boefmans tegen Sabel. ‘Laat ons helpen.’
‘Jullie begonnen!’ riep Krom.
Sabel voerde zijn katten de andere kant op. Pip keek eenmaal achterom. Daisy zag zijn natte ogen.
Even later kwamen Mevrouw Jansen en Commander met een stevige deken. De grijze hond hielp Ravix voorzichtig dragen. De dierenarts werd gebeld.
Vlek liep naast de deken. Zijn snorharen trilden niet meer. Zijn hele gezicht leek stil geworden.
Bij de eerste huizen draaide hij zich naar Spikkel en Streep.
‘Tot Ravix terug is, geef ik de opdrachten.’
Die Rooie keek naar het bloed op de deken.
Daisy liep achteraan en telde iedereen, zoals ze soms deed wanneer ze samen door het bos wandelden. Ravix, Vlek, Spikkel, Streep, Boefmans, Rooie. Ze waren er allemaal. Toch voelde de terugweg anders. Niemand wachtte op iemand die achterbleef. Niemand vertelde wat hij had gezien. Alleen de regen van de afgelopen nacht druppelde nog uit de bomen.
Bij een bocht keek Daisy terug naar de brug. Onder de stenen boog stond Pip. Hij hield één poot omhoog, alsof hij hen wilde roepen. Toen verscheen Krom achter hem en verdween het kleine pootje weer.
Deze keer sprak Rooie Vlek niet tegen.
De nieuwe leider
Ravix moest bij Mevrouw Jansen blijven. De dierenarts had zijn poot verbonden en een pijnlijke kneuzing vastgesteld. Rust was nodig. Veel rust.
Dat was precies wat Vlek hem niet kon beloven.
‘Ik zet wachten neer bij de beek,’ zei hij vanuit de deuropening.
‘Geen gevechten,’ antwoordde Ravix slaperig.
‘Ik bescherm ons.’
Voordat Ravix verder kon praten, was Vlek verdwenen.
Op het plein wachtte Burgemeester Bromsnor. Zijn stijve snor stond zo strak dat er een lampion aan had kunnen hangen. Jacobus van Hotel De Gouden Kat had klachten gekregen over gesis onder zijn gastenramen.
‘De lichtjesavond gaat alleen door als het veilig blijft,’ verklaarde de burgemeester.
Bella droeg een pan soep naar Mevrouw Jansen. Eefje Egeltje bracht schone doekjes in een mandje. Flink het konijn had aangeboden boodschappen te doen, zolang niemand hem vroeg langzaam te lopen.
Boefmans verdeelde de taken. Luna en Maarten moesten kijken waar de Zilverklauwen verbleven. Eddy hield de beek in de gaten. Daisy wilde de steiger onderzoeken.
‘Ik ga met Vlek,’ zei Rooie.
Boefmans keek op. ‘Ik heb je hier nodig.’
‘Vlek ook.’
‘Hij moet afkoelen.’
‘Zijn vriend ligt gewond op de bank.’
‘Dat weet ik.’
Rooie liep weg voordat Boefmans iets anders kon zeggen.
De professor bleef met een opgestoken poot staan. Hij had willen uitleggen dat de wachten bij de beek elk gesprek moeilijker zouden maken. Nu hoorde hij zijn eigen woorden terug en merkte hoe kort ze hadden geklonken.
‘Hij maakt zich zorgen,’ zei Luna.
‘Dat doen we allemaal.’
Luna keek hem aan. ‘Dat weet ik. Heeft iemand het hem al verteld?’
Boefmans liet zijn poot zakken. Hij wilde Rooie achterna, maar juist toen riep de burgemeester hem. Er moesten afspraken komen over de veiligheid. Hij antwoordde, en het moment ging voorbij.
Bij de brug vond Daisy een afgebroken splinter. De leuning was oud; in het hout zaten donkere plekken. Toch waren de afdrukken in het modderige stof duidelijk. Er hadden drie katten op de steiger gestaan.
Eén spoor eindigde vlak bij de gebroken rand.
Boefmans tekende het na. ‘We moeten weten wie waar stond.’
‘En wie bang was,’ zei Daisy.
Bij de molen wachtte Willem met slecht nieuws. De beek steeg sneller dan gewoonlijk. Een rooster voor de afvoer zat verstopt met takken. Morgen zou hij hulp halen om het vrij te maken.
‘Vanavond al regen,’ bromde hij. ‘Blijf uit de lage opslagruimte.’
Uit een gat onder de molentrap piepten Ronnie en Raoul. Hun moeder Roxy kwam achter hen aan met een handdoek over haar schouder.
‘Onze kelder is vochtig,’ zei ze. ‘Ik neem de jongens naar Jacobus.’
Ronnie wilde protesteren, maar Raoul trok hem aan zijn staart. Hij had iets gehoord bij de sluis: een kat die zei dat angst de beste bewaker was.
‘Welke kat?’ vroeg Boefmans.
‘Dat zagen we niet. We zaten achter een kist.’
Toen klonk op het plein een kreet. Flink kwam aangesneld.
Over de deur van de schuur stonden nieuwe witte strepen.
Daaronder had iemand een lege broodmand gezet.
Vlek sloeg hem met één haal omver.
‘Genoeg,’ zei hij.
Aan de overkant van het plein stond Rooie. Boefmans zocht zijn blik, maar zijn vriend keek opzettelijk weg.
Een spoor van brood
De mand rook naar Bella's keuken. Daisy herkende ook de teergeur. Ze volgde die langs de haven, voorbij het hotel en omhoog naar een verlaten botenloods.
Rikkert hielp zoeken. Hij kende iedere losse plank tussen het plein en het water, meestal omdat hij er ooit iets lekkers achter had verstopt.
‘Niet alles was van iemand anders,’ verzekerde hij.
Onder een omgekeerde roeiboot vonden ze broodkruimels en kaaskorstjes. Er lag ook een blauw draadje.
‘Pip,’ zei Rooie, die met Vlek achter hen was aangekomen. ‘Die kleine met de halsdoek.’
Vlek stak zijn kop onder de boot. ‘Dus toch.’
‘Een draadje vertelt niet het hele verhaal,’ zei Boefmans.
Rooie sloeg zijn staart tegen een paal. ‘Hoeveel bewijs wil je nog?’
Op dat moment kroop Pip uit een kier achter de loods. Hij verstijfde toen hij hen zag.
Vlek sprong naar voren. Pip schoot langs een stapel planken, maar Daisy blokkeerde de doorgang zonder haar tanden te laten zien.
‘Je hoeft niet weg te rennen.’
‘Hij heeft ons eten gestolen,’ zei Vlek.
‘Ik had honger,’ fluisterde Pip.
De woorden bleven tussen hen hangen.
Pip vertelde met horten en stoten over Duindorp. De oude visschuur waarin ze sliepen, was dichtgetimmerd voor een verbouwing. Bij de sluis hadden ze een droge plek gevonden. Toen verschenen er dreigende tekens. Krom had gezegd dat de Nachtkattenbende hen nergens zou dulden.
‘Heb jij de mand voor onze deur gezet?’ vroeg Boefmans.
Pip schudde heftig zijn kop. ‘Alleen brood meegenomen. En kaas voor mijn zusje.’
‘Wie zette die tekens bij de sluis?’
Pip keek naar het duinpad.
‘Ik weet het niet.’
Zijn antwoord kwam te snel.
Daar hing aan een doornstruik nog een strookje stof. Daisy herkende dezelfde blauwe kleur. Het kleine katje moest hier vaker langs zijn gekomen, waarschijnlijk met eten voor zijn zusje. Ze vroeg of die een warme slaapplaats had.
‘Een kast,’ zei Pip. ‘Ze doet alsof het een paleis is.’
Even glimlachte hij. Daarna keek hij naar Vlek en verdween die glimlach.
Rooie zag het ook. Hij wilde vragen waarom Pip dan met zulke katten optrok, maar slikte de vraag in. Zelf stond hij immers ook naast een vriend die steeds bozer werd.
Boefmans beloofde dat niemand hem zou vastpakken. Hij liet Pip vertrekken, met het verzoek Sabel naar de waterput te sturen voor een gesprek.
Vlek keek hem ongelovig aan.
‘Je laat hem gewoon lopen?’
‘Hij heeft bekend dat hij eten meenam. Dat lossen we met Bella op.’
‘En Ravix?’ vroeg Rooie.
‘Dat is een andere vraag.’
Rooie kwam vlak voor hem staan. ‘Voor jou is alles een vraag. Voor Ravix is het een kapotte poot.’
Boefmans voelde zijn oren warm worden. ‘Als jij eens nadacht voordat je ergens bovenop sprong…’
Rooie deinsde achteruit.
Daisy keek onmiddellijk naar Boefmans. Hij wist dat hij te ver was gegaan, maar Vlek stond erbij en zijn keel zat dicht.
‘Goed,’ zei Rooie zacht. ‘Denk jij dan maar alleen.’
Hij liep achter Vlek aan.
Boefmans klapte zijn notitieboek dicht. Het geluid was harder dan hij had bedoeld.
Twee lege plaatsen
De regen begon tegen etenstijd. Mevrouw Jansen had drie schaaltjes bij de haard gezet. Rooie's schaaltje bleef onaangeroerd.
Boefmans zat bij het raam. Naast hem lag zijn notitieboek open op een bladzijde waarop al een uur niets nieuws stond.
‘Hij komt wel,’ zei Mevrouw Jansen.
Daisy hoopte dat ze gelijk had. Zelf ging ze kijken.
Onder het afdak bij de schuur stond Rooie met Vlek, Spikkel en Streep. Ze bespraken een tocht naar de molen. De Zilverklauwen zouden daar hun voorraad hebben verstopt.
‘We halen terug wat van ons is,’ zei Vlek.
‘En als ze ons tegenhouden?’ vroeg Streep.
Vlek antwoordde niet.
Daisy ging naast Rooie zitten. ‘Ravix vraagt naar je.’
‘Ik kom straks.’
‘Hij vroeg ook naar Boefmans.’
Rooie staarde naar de regen.
‘Hij denkt dat ik alleen maar problemen maak.’
‘Dat heeft hij niet gezegd.’
‘Wel ongeveer.’
Daisy zweeg even. Daarna vertelde ze wat ze bij Ravix had gezien: hoe hij wakker schrok van iedere stem op straat en probeerde op te staan zodra hij Vleks naam hoorde.
Rooie wreef met zijn poot langs zijn neus.
‘Vlek is bang,’ zei hij. ‘Daarom doet hij zo.’
‘Dat zie jij heel goed.’
Voor het eerst keek hij haar aan.
‘Kom dan vertellen wat je ziet. Ik kan niet steeds tussen jullie in blijven lopen.’
Rooie beloofde na het bezoek aan Ravix met hen te praten. Daisy wachtte tot hij daadwerkelijk naar Mevrouw Jansen liep.
Onderweg kwam Luna hen tegemoet. Sabel was niet bij de waterput verschenen. Volgens een jonge Zilverklauw had Krom gezegd dat er een val klaarstond.
‘Er stond alleen een paraplu,’ zei Luna verontwaardigd.
Maarten streek neer op het hek. Hij had Krom met een witte zak bij de molen gezien. Willem bewaarde daar kalk om muren te herstellen.
Boefmans luisterde naar hun bericht. Zijn oren gingen overeind, maar Daisy legde haar poot op zijn notitieboek.
‘Eerst Rooie.’
‘Maar die kalk…’
‘Is er over tien minuten ook nog.’
Uit de kamer klonk Ravix' vermoeide stem. Rooie zat aan zijn voeteneinde.
‘Vlek luistert niet naar mij,’ zei Ravix. ‘Misschien wel naar jou.’
Rooie keek naar de verbonden poot.
‘Ik dacht dat je wilde dat we iets deden.’
‘Ik wil morgen nog vrienden hebben.’
Buiten sloeg een windvlaag tegen het raam. De lamp boven de tafel zwaaide zachtjes.
Toen Boefmans binnenkwam, maakte Rooie geen plaats. Hij ging ook niet weg.
Dat was voor vanavond een begin.
Daisy ging bij de haard liggen, maar slapen lukte niet. Ze hoorde Rooie voorzichtig vragen of Ravix nog pijn had. Ze hoorde Boefmans een glas water verschuiven. Kleine geluiden die vertrouwd hadden moeten zijn.
Vanuit de gang rook ze natte aarde. Vlek was even bij de achterdeur geweest en alweer vertrokken. Ze wist dat ze hem nu niet alleen kon overhalen. Hij vertrouwde Rooie. Ravix vertrouwde Boefmans. Als die twee elkaar bleven ontwijken, verloor iedere poging om de bendes te stoppen zijn kracht.
Daisy stond op. Ze ging de keuken klaarmaken.
Wat niemand durfde zeggen
Daisy bracht hen naar de keuken. Ze ging voor de deur liggen, maar liet genoeg ruimte om erlangs te kunnen.
‘Jullie mogen weg,’ zei ze. ‘Maar luister eerst naar elkaar.’
De klok tikte. Boefmans schoof zijn bril recht.
‘Ik had niet mogen zeggen dat je niet nadacht.’
Rooie keek naar een barstje in de vloer.
‘Je zei het wel.’
‘Ja. Het spijt me.’
Boefmans wachtte. Normaal probeerde hij stiltes zo snel mogelijk met verklaringen te vullen. Nu hield hij zijn mond.
‘Ravix had pijn,’ zei Rooie eindelijk. ‘Vlek stond te trillen. Jij wilde alleen maar sporen tekenen.’
‘Omdat ik bang was de verkeerde te beschuldigen.’
‘Ik was bang dat niemand voor hen opkwam.’
Daisy zuchtte langzaam. ‘En ik was bang dat ik een gewonde vriend moest bewaken terwijl mijn twee andere vrienden elkaar kwijtraakten.’
Rooie keek eindelijk op. Boefmans ook.
‘Dat hadden we niet gezien,’ zei de professor.
‘Nee,’ antwoordde Daisy.
Rooie schoof zijn schaaltje naar Boefmans. Er lagen nog twee stukjes kaas in. Boefmans nam er één. Ze waren allebei koud.
‘Je zag dat Vlek bang was,’ zei Boefmans. ‘Ik zag alleen hoe boos hij deed. Wil je me helpen hem te bereiken?’
‘Als jij me helpt voorkomen dat hij iets stoms doet.’
Ze raakten elkaars schouder aan.
‘Ik was bijna met Vlek meegegaan om het eten terug te halen,’ bekende Rooie. ‘Zonder te weten waar het lag.’
Boefmans knikte langzaam. ‘En ik dacht al te weten dat jij toch niet naar me zou luisteren. Dus ging ik harder praten.’
‘Dat helpt niet bijzonder.’
‘Ik merkte het.’
Daisy duwde met haar neus het laatste stukje kaas tussen hen in. Rooie brak het voorzichtig doormidden. Deze keer gaf hij Daisy het grootste deel.
‘Voor het bemiddelen,’ zei hij.
‘Voor het wachten,’ verbeterde ze. ‘Daar krijg je nog meer honger van.’
Daisy stond op. ‘Dan hebben we werk.’
Luna haalde Pip uit zijn schuilplaats achter Bella's houtvoorraad. Bella had hem daar zelf neergezet, met brood en een dringende waarschuwing voortaan eerst aan te kloppen.
Deze keer bleef Rooie op afstand terwijl Pip vertelde.
Hij had Krom de maantjes bij de sluis zien tekenen. Krom wilde dat Sabel het pakhuis zou opeisen. Daarvandaan konden ze volgens hem de haven beheersen.
‘Hij zei dat we anders altijd zouden moeten bedelen.’
‘En de brug?’ vroeg Daisy.
Pip begon te huilen. Krom had Ravix weggeduwd toen die tussen hem en Vlek sprong. Daarna was de leuning gebroken.
‘Hij zei dat iedereen mij zou haten als ik praatte.’
Boefmans schoof zijn zakdoek naar hem toe. ‘Je mag het straks aan Sabel vertellen. Wij blijven erbij.’
Rooie vroeg hoe laat Vlek naar de molen wilde.
Pip keek op. ‘Sabel gaat daar ook heen. Krom zei dat ze vannacht zouden worden aangevallen.’
Van buiten klonk haastig geklop.
Flink stond druipend op de stoep. Vlek was al vertrokken. Spikkel en Streep volgden hem over het beekpad.
Beneden in het dorp luidde Willem de molenbel.
Geen feestelijk geluid.
Drie korte slagen, een pauze, en opnieuw drie.
De beek stijgt
Op het plein stond water tussen de stenen. Willem kwam hen tegemoet met een lantaarn.
‘Het rooster zit helemaal dicht. De beek loopt over naar de molenkelder.’
Boefmans keek naar Pip. ‘Is je zusje daar?’
Pip knikte. ‘Muis slaapt achter de meelbakken.’
Hij wilde wegrennen, maar Daisy hield hem tegen.
‘Wij gaan samen.’
Rooie floot driemaal op het fluitje voor Commander. De grijze hond kwam uit het hotel, waar hij Roxy en haar zoons met droge dekens hielp.
Burgemeester Bromsnor hoorde het nieuws en schoof onmiddellijk zijn feesttoespraak van tafel. Het plein werd een verzamelplaats voor touwen, lantaarns en helpers.
Jacobus opende de grote hotelzaal. Mevrouw Jansen bleef bij Ravix en gaf Flink een lijst met spullen mee. Bella stookte haar oven op voor warme kruiken. Niemand sprak nog over gestolen kaas.
Rikkert kende een kort pad langs de tuinen. Hij leidde Boefmans, Rooie en Daisy naar de molen. Luna bleef bij Pip. Boven hen vloog Maarten door de regen.
Bij de brug verscheen de uil van de heide. Hij had vanaf zijn hoge tak katten bij de molendeur gezien en wees met één geruisloze vleugelslag de richting aan.
Toen ze aankwamen, stonden de twee bendes tegenover elkaar.
Vlek had zijn klauwen uitgeslagen. Sabel stond voor zijn jonge katten. Krom hield zich naast de trap.
‘Jullie verdwijnen uit Pofferdam,’ siste Vlek.
‘Probeer ons maar weg te krijgen,’ antwoordde Sabel.
Daisy blafte zo hard dat iedereen schrok.
‘Er zit een jong katje beneden!’
Een zacht gekrijs klonk uit het kelderraam.
Sabel draaide zich om. ‘Muis?’
Hij schoot de trap af, maar sprong meteen terug toen een golf bruin water door de deuropening sloeg. Binnen verschoof iets zwaars. Een balk kraakte.
Boefmans drukte zijn gezicht tegen het raam. Tussen de stijgende stroom zag hij een klein wit snoetje op een houten kast.
Daarachter dreef een strook blauwe stof.
‘Ze zit vast met haar dekentje,’ zei hij.
Vlek staarde naar het water. ‘We moeten die kast bereiken.’
‘Dat doen we,’ zei Rooie. ‘Maar eerst help je ons.’
Krom sloop naar de achterdeur. Luna ging ervoor staan.
‘Jij blijft ook.’
Hij keek om zich heen, maar Commander was aangekomen. Zonder te grommen legde de hond een lang touw voor zijn poten.
‘Dragen,’ zei hij.
Krom bukte.
Boven het lawaai van de beek uit hoorde Daisy Muis opnieuw roepen. Het geluid was dunner geworden.
De kast stond al scheef.
Samen over het water
Willem wees naar een smal luik boven de meelgoot. Daarachter liep een balk tot vlak boven de kast. Eén kat kon eroverheen. Onder de balk kolkte het water tussen losgeraakte zakken en kisten.
‘Ik ben lichter,’ zei Boefmans.
Rooie keek naar zijn bril, toen naar de donkere opening.
‘En ik zie beter in het donker.’
Even dreigde de stilte van de keuken terug te keren.
Toen knikte Boefmans. ‘Jij gaat. Ik vertel je waar de balk beschadigd is.’
Daisy liet Willem het veiligheidstouw stevig om Rooie's borst vastmaken. Commander hield de lijn. Vlek en Sabel kregen samen het andere uiteinde, vastgezet om een zware molenpaal.
‘Zelfde tempo,’ zei Daisy. ‘Niemand trekt zonder mijn teken.’
Vlek keek naar Sabels voorpoten op het touw. Gisteren had hij die nog van zijn schuur willen verjagen. Nu hing Rooie's veiligheid mede van die poten af.
‘Laat niet los,’ zei hij.
Sabel keek naar de kast in de kelder.
‘Mijn kleintje zit daar.’
Dat antwoord begreep Vlek. Hij verschoof zijn eigen poten totdat ze stevig op de vloer stonden. Naast hem deed Sabel hetzelfde.
Rooie kroop door het luik. Zijn rode vacht verdween bijna helemaal in de duisternis.
Beneden scheurde een meelzak open. Het water werd melkachtig wit.
‘Drie passen vooruit,’ riep Boefmans. ‘Dan een donkere plek. Daar overheen stappen.’
Rooie zette zijn poot neer. De balk trilde.
Buiten probeerden Rikkert en Willem het afvoerrooster vrij te trekken. Streep en Spikkel sleepten takken weg. Eddy dook bij de ondiepe rand naar losse bladeren, terwijl Eefje hem vanaf het droge toeriep waar ze zich ophoopten.
Ronnie en Raoul waren met Roxy teruggekomen tot aan het hek. Zij kenden een smalle opening naast de goot. Van daaruit trokken ze met een haak kleine takken los, veilig boven het water.
Maar de stroom bleef stijgen.
‘Nog twee passen,’ zei Boefmans.
Muis piepte onder hem. Rooie boog voorzichtig naar beneden. Haar dekentje zat achter een handvat geklemd. Hij haakte zijn klauw erin.
Toen schoof de kast weg.
Rooie greep Muis bij haar nekvel, maar zijn achterpoot gleed van de balk. Het touw schoot strak. Sabel werd naar voren getrokken.
Vlek wierp zich naast hem en zette zijn schouder onder diens borst.
‘Ik heb je!’
Daisy gaf Commander het teken. Langzaam haalden ze de lijn binnen. Rooie hing boven het schuimende water, Muis stevig tegen zich aangedrukt.
Een plank sloeg tegen zijn zij. Hij kneep zijn ogen dicht, maar liet niet los.
Boefmans kroop half door het luik en greep Rooie's voorpoot.
‘Nog een stukje. Ik houd je vast.’
Samen trokken ze hem over de rand.
Muis kwam kuchend op de vloer terecht. Sabel sloeg zijn voorpoten om haar heen. Pip duwde snikkend zijn neus tegen haar wang.
Rooie lag plat op zijn buik.
‘Volgende keer,’ hijgde hij, ‘zoeken we een mysterie zonder water.’
Boefmans lachte schor. Zijn poot lag nog altijd op die van Rooie.
De waarheid bij de haard
Het rooster kwam los met een geluid als een reus die zijn keel schraapte. Rikkert rolde achterover in de modder. Een golf stroomde door de afvoer naar de haven.
Eddy juichte zo hard dat hij water inslikte.
Langzaam zakte het peil bij de molendeur. Willem bleef met Commander achter om het gebouw af te sluiten. De anderen brachten de katten naar het hotel.
Jacobus had handdoeken over iedere stoel gelegd. Bella schonk soep. Eefje stopte een warme kruik bij Muis, terwijl Luna haar vacht droogwreef. Flink rende driemaal naar Mevrouw Jansen om verslag te doen en vergat iedere keer dat hij zelf ook mocht gaan zitten.
Toen iedereen warm was, vroeg Sabel waarom Krom had gezegd dat de Nachtkattenbende hen wilde aanvallen.
Krom staarde in zijn kom.
Pip schoof dichter tegen zijn zusje aan. Daisy ging naast hem zitten.
‘Ik heb iets gezien,’ begon hij.
Niemand onderbrak hem.
Hij vertelde over de maantjes bij de sluis, de kalk en de woorden onder de brug. Maarten bevestigde waar hij Krom met de zak had gezien. Ronnie en Raoul vertelden welke dreigende woorden ze hadden gehoord.
Boefmans legde het blauwe draadje op tafel.
‘Pip nam eten mee. Dat heeft hij toegegeven. Krom gebruikte de lege mand om jullie nog bozer te maken.’
Sabel keek langzaam op. ‘Is dat waar?’
Krom schoof zijn kom van zich af.
‘Jij bleef maar vragen of we ergens mochten slapen. Ik wilde een plek die niemand ons kon afnemen.’
‘Dus liet je ons vechten?’
‘Ik dacht dat ze zouden wijken.’
‘En Ravix?’ vroeg Vlek.
Krom kneep zijn ogen dicht. ‘Ik duwde hem. Ik wilde langs hem. Ik wist niet dat die leuning…’
Zijn stem brak af.
Vlek stond op. Stoelpoten schuurden over de vloer. Rooie bewoog, maar Daisy keek hem aan en hij bleef zitten.
‘Morgen vertel je het Ravix zelf,’ zei Vlek.
Krom knikte nauwelijks zichtbaar.
‘En ik vertel hem dat ik bijna een gevecht begon terwijl er een kind beneden zat.’
Sabel keek naar Muis. Daarna boog hij zijn kop.
‘Ik luisterde ook alleen naar wat ik al geloofde.’
Burgemeester Bromsnor schoof een vel papier naar zich toe. Er kwamen geen grote beloften. Eerst moesten er slaapplaatsen zijn. Daarna herstelwerk, terugbetaling van het eten en gesprekken met Ravix.
Krom zou voorlopig bij Sabel blijven en niet alleen op pad gaan. Niemand hoefde hem die avond te vertrouwen.
Buiten tikte de regen zachter tegen de ramen.
Aan tafel vroeg Pip voorzichtig om nog een boterham.
Bella gaf hem er twee.
Lichtjes voor iedereen
De volgende ochtend zat Ravix rechtop tussen de kussens toen Krom binnenkwam. Vlek stond naast de bank. Boefmans, Rooie en Daisy wachtten bij het raam.
Krom vertelde alles zonder naar de anderen te kijken. Over de tekens, de mand en de duw.
Ravix luisterde. Toen schoof hij zijn verbonden poot iets hoger.
‘Ik ben boos op je,’ zei hij. ‘En ik schrik nog steeds als ik mijn ogen dichtdoe.’
Krom knikte.
‘Ik kom helpen totdat het weer goed is.’
‘Mijn poot bepaalt zelf wanneer hij beter wordt. Jij kunt beginnen met de leuning.’
Dat deed Krom die middag, samen met Willem en Sabel. Hij mocht geen bevelen geven. Hij moest luisteren, planken dragen en opnieuw beginnen wanneer iets scheef zat.
Vlek ging op de rand van Ravix' deken zitten.
‘Ik dacht dat een leider altijd moest weten wat hij deed.’
Ravix keek hem vermoeid aan. ‘Had je het maar gevraagd. Ik weet het meestal ook pas halverwege.’
Vlek lachte voor het eerst sinds de brug.
De lichtjesavond werd een dag uitgesteld. Overdag droogde iedereen de spullen uit de molen. De Zilverklauwen kregen voorlopig onderdak in de lege tuinkamer van het hotel. Voor de winter zou Willem helpen een droge schuur in Duindorp op te knappen.
Voor de lampionnen werden opgehangen, zocht Vlek Rooie op achter het hotel. Hij had een borstel in zijn bek en kalk op zijn snor.
‘Ik heb je meegesleept,’ zei hij.
Rooie ging op de onderste traptrede zitten. ‘Ik liep zelf mee.’
‘Je hoeft niet meer te kiezen tussen ons en de professor.’
Rooie dacht aan de steiger, aan Pip onder de roeiboot en aan Daisy voor de keukendeur.
‘Dat hoefde eigenlijk nooit.’
Vlek zette de borstel neer. Samen keken ze naar Sabel, die met Spikkel een natte deken uitwrong. Hun bewegingen waren nog onhandig, maar het lukte.
‘Denk je dat Ravix mij nog laat leiden?’
‘Vraag het hem.’
Vlek knikte. Ditmaal leek dat antwoord hem niet klein te maken.
Toen haalde hij diep adem, pakte zijn borstel weer op en liep voorzichtig naar de laatste witte strepen op de muur.
Sabel en Vlek spraken af voortaan samen de beekpaden te controleren. De tekens op de muren werden weggeborsteld.
Rikkert gebruikte zoveel sop dat Spikkel achteraf naar lavendel rook.
‘Niemand hoeft dit te weten,’ mompelde hij.
Maarten vloog onmiddellijk naar het plein om het te vertellen.
Toen de lampionnen eindelijk brandden, stond Ravix met zijn deken in een bolderkar bij de waterput. Ronnie en Raoul hadden de kar versierd. Roxy had persoonlijk gecontroleerd of er geen gestolen lint tussen zat.
Eddy zong veel te luid. Eefje danste met Flink. Bella deelde pizza uit en Jacobus schonk warme appelsap. Commander hield een oogje op Muis, die overal onderdoor kroop.
Luna trok Rooie mee naar een lampion in de vorm van een kat. Het papieren dier had een scheve glimlach.
‘Lijkt op jou,’ zei ze.
‘Te weinig uitstraling.’
Later zaten de drie speurders op het bankje bij Mevrouw Jansen. Boefmans opende zijn notitieboek.
‘Wat schrijf je?’ vroeg Daisy.
‘Wat ik de volgende keer beter moet doen.’
Rooie keek over zijn schouder. Er stond: Eerst luisteren. Ook naar mijn vrienden.
Hij dacht even na.
‘Zet erbij dat kaas helpt.’
Daisy lachte en legde haar kop tussen hen in. Aan weerszijden voelde ze een warme kattenpoot tegen haar vacht.
Op het plein schoof Vlek een stoel voor Sabel opzij. Er werd nog voorzichtig gesproken. Soms viel er een stilte.
Maar niemand ging weg.
Daisy keek op naar de sterren boven de molen. Boefmans volgde haar blik en schoof zijn boekje weg. Rooie geeuwde, rekte zich voorzichtig uit en bleef nog even zitten. Hun avontuur was voorbij. Ze hoefden nergens heen.
En toen de laatste lampion doofde, liepen de katten samen naar huis.